Driekleur is mooi maar lastig om dragen

 

Afgelopen woensdag heeft nationaal kampioen Rutger Wouters zijn eerste zege van het seizoen behaald. Hij toonde zich in Kortessem de snelste van een groep van om en bij de 20 renners. Voor Wouters was het al het derde jaar op rij dat hij de koers van de 1ste mei won.
Na afloop zijn zege in Kortessem was Rutger Wouters iets euforischer dan de twee voorgaande jaren. Voor iemand die de jongste seizoenen toch telkens ongeveer 15 wedstrijden wint, mocht het juichen wel eens beginnen.
“Eindelijk mocht het nu”, glunderde de kampioen na afloop. “Het duurde ook voor mij te lang. De twee voorgaande jaren al ik al een viertal wedstrijd gewonnen voor ik deze 1ste mei prijs op mijn naam schreef. Nu bleef het maar duren. In het verleden is gebleken dat eens bij mij de kop eraf was, de rest snel volgt. Laat die zegeruikers dus vanaf nu maar komen. Al heb ik ondervinden dat winnen in die nationale driekleur niet evident is. Dat merkte ik vorig jaar na het behalen van de titel al. Winnen werd toen al meteen een stuk moeilijker. Ik won toen na dat BK in augustus enkel nog een dernywedstrijd in Wilrijk en in het slotweekend nog een koersje in Porcheresse. Al dat dat toen veel te maken met het bobijntje dat af was. Maar die trend zette zich dus ook deze eerste twee maanden van het seizoen voort. Nochtans had ik goed gerust en vooral afgelopen winter weer keihard getraind, zoals de voorgaande jaren. Maar de conclusie was snel: het is een prachtige trui en ik ben bijzonder fier hem te mogen dragen. Maar ik had voorheen nooit durven denken dat het zo fel als een rode lap in een stierenarena zou werken.”
Was Wouters misschien tot nu toe toch ook niet een tikkeltje minder goed dan de voorgaande twee seizoenen? “Zeker niet”, reageert hij vastberaden. “Integendeel zelfs. De waarden die ik op training en tijdens de wedstrijden trap, bewijzen dit. Ik ben sterker geworden. Doch de voorgaande jaren kwam ik eigenlijk ook altijd pas rond de maand mei echt sterk op dreef. Voorheen was ik toen ook wat minder, al kon ik toen ook met mindere benen winnen. Met de driekleur om de schouders lukte dat niet. Met alle respect, maar het zijn niet de sterke jongens die oog hebben voor die driekleur. Het zijn de iets minderen die telkens ik iets onderneem tot op het wiel koersen en dan het verder aan mij laten. En wanneer ze na zo’n 80km een beetje moe beginnen te geraken, is de beslissende ontsnapping zonder mij vertrokken en resten er enkel nog wat ereprijzen. Dat is zeker geen verwijt naar die jongens. Het is de tol van de roem die ik als kampioen moet dragen. Het is wachten op de maanden dat ik echt in topconditie ben. Als voltijds leraar aan het Don Bosco in Hechtel duurt het bij mij, vergeleken met de jongens die voltijds met wielrennen bezig zijn, iets langer eer ik vol op dreef ben. Mijn periode komt er nu aan. Als ik goed ben, kan ik een paar keer meer een gat dicht rijden en mogelijk helpt me dat om wat vaker met de beslissing mee te zijn. En dan volgen overwinningen ook wel.”

Share